Bericht van Ronald (vanuit LA)
Wow. Zag je die blik in de ogen van Kobe Bryant!? Dat is een man met een missie. 40 punten, 8 rebounds, 8 assists, de 46e speler in de geschiedenis met 40 punten of meer in de NBA Finals. Orlando, wakker worden voor het te laat is.
Zo goed als de Lakers in het tweede en het derde kwart van de eerste wedstrijd spelen, zo moeizaam verloopt onze uitzending. De kijker thuis zal er weinig van hebben gemerkt, maar onze immer standvastige producer Wendy belt zich suf om alle technische tegenslag op te lossen. Problemen met de satelliet, heel veel problemen, laten het we zo maar zo samenvatten, waardoor er in Los Angeles en Amsterdam (Sport 1) een hoop stress is. Overigens hebben alle ‘internationale’ broadcasters op locatie er last van. Maar analist Cees en ondergetekende doen alsof er niets aan de hand is, en we zijn na afloop blij met ons commentaar. ‘Dat ging lekker’, roepen we in koor.
En dat zullen de Lakers ook wel hebben gedacht. Ze heersen in de rebound (55 om 41), houden Orlando onder de dertig procent schot (een nieuw ’record’ in de NBA Finals) en Dwight Howard (1 uit 6) krijgt niet eens de kans om een keer te dunken. Defense met een hoofdletter D. Stan Van Gundy klaagt na afloop over een gebrek aan ‘effort and energy’ bij zijn spelers. Werk aan de winkel, coach. Cees vraagt zich af of het wel verstandig is geweest om Jameer Nelson zo veel te laten spelen. De guard heeft sinds 2 februari geen wedstrijd meer gespeeld door een schouderblessure. En hij krijgt in het tweede kwart meteen twaalf minuten. Nelson lijkt zoekende, maar dat geldt voor heel Orlando. De Lakers zijn er klaar voor, de Magic niet.
Voor de wedstrijd zijn we nog even getuige van een mooi moment. Dwight Howard omhelst de legende Bill Russell. Magic-assistent Patrick Ewing staat er ook bij. Drie generaties centers in de NBA. Cees maakt gauw een foto. Toch bijzonder om van zulke momenten getuige te mogen zijn.
Bericht van Frank (vanuit New York)
Was de blik tot nu toe gericht op het zuiden van Manahata, nu ga ik de noordelijke helft verkennen van dit ooit volledig bosachtige eiland. (Hoe zouden de Indianen die hier bijna 400 jaar geleden woonden, reageren als ze zouden kunnen zien hoe hun lapje grond is volgebouwd met al die uit hun krachten gegroeide stalen en bakstenen tipi’s?) Over bosachtig gesproken: het is behoorlijk weer - graad of 20, af en toe komt het zonnetje er lekker doorpiepen – en ik ga eens een fijne wandeling maken door de lungs of the city, ofwel Central Park. Wauw. Als je hier bent, glijdt prompt alle overweldigende stedelijke bedrijvigheid van je af. Wat een fantastisch park! (Het Vondelpark kan er een keer of zes in, schat ik.) Overal zijn mensen bezig met wandelen, fietsen, joggen, basketballen, schilderen, op het gras liggen, eten, drinken, hondsbrutale eekhoorntjes voeren en al wat dies meer zij. Kortom: met ontspannen. En er is meer dan genoeg ruimte voor iedereen.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik halverwege het park begin en dan naar het noorden loop. Richting Harlem, dat “boven” het park begint en waar mijn volgende reisdoel ligt. Als ik na een paar uurtjes van 81st Street, waar ik het park inkwam, ben opgeschoven naar de noordgrens ter hoogte van 110th Street, pak ik toch echt de metro om 155th Street in noordelijk Harlem te bereiken, waar ik nu naartoe wil. Daar ligt het befaamde Rucker Park, dat – naast een speeltuintje en een honkbalveld – het basketballpleintje behelst waar ooit Rafer “Skip (To My Lou)” Alston letterlijk en figuurlijk groot werd, en waar zelfs Kobe Bryant een jaar of zes geleden een keer opdook om een potje te ballen. En laat die twee meneren nou net tegenover elkaar staan in de NBA Finals!

Rucker Park, playground of legends.
Als ik uit de subway kom, merk ik dat hier toch een iets andere sfeer hangt dan way downtown. Dit is Harlem, en wel een gedeelte dat qua oogstrelendheid en veiligheid een mager zesje krijgt. (Overdag dan.) Maar wel een buurt waar wordt geleefd, en waar sfeer hangt. Als ik over een enorme voetgangersbrug ben gelopen, tussen een paar woonwolkenkrabbers door die je kunt vergelijken met twee op elkaar gestapelde en vervolgens diepdonkerbruin geschilderde Bijlmerbajestorens, zie ik beneden in de diepte Rucker Park al liggen. Ik daal een trap af om het pleintje te kunnen bereiken en merk iets dat ik eigenlijk al wist: dat het aantal bleekscheten, waaronder ik, hier op de vingers van één hand te tellen is. En die andere vier zie ik even niet.
Ik weet niet precies wat te verwachten, maar gedreven door mijn nieuwsgierigheid loop ik richting basketballveldje, waar een handjevol mannen en jongens balletjes aan het schieten is en een ander handjevol het kleine tribunetje bevolkt. En begin foto’s te maken van deze beroemde playground. Zo op het oog niet bijzonderder dan het veldje op het Museumplein in Amsterdam, afgezien van de aanwezigheid van de tribune dan misschien. Maar je voelt de geschiedenis van het groen en rood geschilderde asfalt afspatten, en letterlijk van de verweerde, mintgroen en felgeel geschilderde stands.
Dit is de plek waar meer dan vijftig jaar geleden gemeenteambtenaar Holcombe Rucker begon met het organiseren van basketballtoernooien, met als bijbedoeling kinderen te inspireren hun school af te maken. Na zijn dood zetten twee van zijn pupillen het befaamde “Each One Teach One”-programma op, dat basketballgroten als Wilt Chamberlain, Julius “Dr. J” Erving, Kareem Abdul-Jabbar en pleintjeslegenden als Earl “The Goat” Manigault en Joe “The Destroyer” Hammond naar Rucker haalde om voor nog meer inspiratie voor de jeugd te zorgen. Al snel werd Rucker een broedplaats voor NBA-talent, voor nieuwe en spectaculaire basketballmoves en zelfs voor de hiphopcultuur.
Ik ga een tijdje op de tribune zitten om de ballers gade te slaan, en als een vijftiger en een jonge jongen klaar zijn met de één-tegen-één-potjes waar ze volgens mij al een aardig tijdje mee bezig zijn, raap ik mijn moed bij elkaar en spreek ze aan. Ik zeg dat ik een journalist uit Nederland ben en vraag ze naar hun verwachtingen van de Finals tussen de Lakers en de Magic. Die vraag lokt een paar fantastische glimlachen uit, alsmede een langdurig en geanimeerd gesprek. Hoezo was hier moed voor nodig? Basketball is een internationale taal.
De vijftiger blijkt Hassan Malik te heten en balde, in de tijd dat hij nog onder zijn geboortenaam Ricky Murray door het leven ging, voor North Carolina Central. Hij vertelt een prachtig verhaal over eerdergenoemde Joe “The Destroyer” Hammond, die hier ooit met zijn Millbank-team een potje moest ballen tegen een ploeg met Julius Erving in de gelederen. Joe kwam pas in de rust opdagen, maar droeg in de tweede helft wel doodleuk 58 punten bij aan de overwinning van Millbank. Dr. J. kwam zelf overigens niet verder dan een punt of 53, 54, in twee helften tezamen wel te verstaan. Tegenwoordig gaat het niet zo goed met Hammond, weet Malik. “You can see him sometimes over at Burger King at 125th Street. He’s doin’ drugs and all that.”
Malik heeft zelf trouwens ook wel het één en ander meegemaakt, te zien aan het enorme litteken dat over zijn wang loopt, van zijn linkermondhoek naar zijn linkeroor zo’n beetje. Hij vertelt dat er vandaag geen wedstrijdjes zijn op Rucker Park, maar dat op 15 juni weer het jaarlijkse streetball-toernooi begint. Helaas ben ik dan niet meer in New York, maar hopelijk op doorreis van Orlando naar Los Angeles.

Kevin Walker
De jonge jongen stelt zich voor als Kevin Walker en vertelt dat hij afgelopen seizoen freshman shooting guard was in de basketballploeg van Virginia Union. Later blijkt dat ik òf zijn naam niet goed heb verstaan, òf dat hij wel erg fresh is, want ik kan op internet niets over een Kevin Walker van Virginia Union terugvinden. Hoe dan ook droomt Kevin de droom van het bereiken van de NBA, of anders een mooie basketballcompetitie overseas. Hij beheerst trouwens een prachtige imitatie van het hupje dat Rafer Alston af en toe in zijn dribble verwerkt, en dat de man de bijnaam Skip opleverde. Hassan begint spontaan het liedje te zingen waar vroeger de meisjes op touwtjesprongen: skip to my lou, my darling…
Als ik Kevin vraag wie zijn favoriet is voor het winnen van de Finals, kan hij geen uitsluitsel geven. Hij twijfelt. Kobe is ridiculous, zegt hij. En dan bedoelt hij natuurlijk niet belachelijk, maar belachelijk goed. Maar: Orlando has great defense. Hassan twijfelt niet: Orlando wordt kampioen. Die ploeg heeft niet voor niets LeBron en de Cavs vernietigd. Overigens denkt hij wel dat LeBron (“that guy just did not go through natural evolution”) in de toekomst alsnog kampioen zal worden. “He’s a great player. But nobody’s gonna give it to him. He has to earn it.” Over Mo Williams is Hassan duidelijk: “That guy is a fluke. Who had ever heard of Mo Williams before this year? He just wasn’t ready to take on the pressure.”
Het wordt tijd om verder te gaan. Maar ik ben blij dat ik hier ben geweest. Dit is zeer heilige basketballgrond. Bevolkt door prachtige mensen die voor een intense atmosfeer zorgen. Mooi te zien ook hoe sterk de sociale controle is. Everbody’s looking out for each other. Geen bemoeizucht, maar pure medemenselijkheid.
Die bemerk ik ook als ik met de metro weer ben afgezakt naar de als veiliger te boek staande 125th Street. Dat is de straat die ooit de onafgebakende scheidslijn was tussen het betere en het “mindere” gedeelte van Manhattan, een scheidslijn die je als meer welgestelde blanke of zwarte niet overschreed als daar geen absolute noodzaak toe was. Op de kruising van deze straat met Malcolm X Boulevard pak ik in een Starbucks-filiaal mijn zoveelste Caramel Macchiato (met Chocolate Indulgent Cookie deze keer). Als ik dat heerlijks bijna op heb, vraagt een oudere meneer, die zo op het oog net als Hassan Malik al veel van het leven heeft gezien, of hij op die vrije stoel aan mijn tafeltje mag komen zitten. “Of course”, zeg ik. Eerst legt hij een vettig plastic tasje op tafel neer, waar een bak eten in blijkt te zitten die hij zojuist van een ober van een naburig restaurant voor noppes heeft meegekregen. “Daar ga ik normaal liever niet op in,” zegt hij verontschuldigend, hoewel ik het sterke vermoeden heb dat dit niet de eerste keer is. Vervolgens vraagt hij me tot mijn verrassing of hij me op een bak koffie mag tracteren, maar ik wijs beleefd op mijn Caramel Macchiato. Als hij na tien minuten van bestellen, in slow motion rondschuifelen en heerlijk op zijn elfendertigst suiker door zijn koffie roeren definitief aan mijn tafeltje komt zitten, ontspint zich al net zo’n fantastisch gesprek als een uur eerder op Rucker Park.

Terry
Terry, zoals hij blijkt te heten, is 67 jaar oud, heeft suikerziekte (waar hij overigens wel medicijnen voor krijgt) en is vast van plan rustig aan te doen “and enjoy whatever time I have left”. Hij praat overdacht en al even langzaam als hij beweegt. “I just look at things, you know. I look at life passing by.” Niet alles wat hij zegt, begrijp ik helemaal, maar over het algemeen spreekt hij even simpele als geweldige waarheden.
Nadat hij zijn gratis maaltijd heeft gedeeld met een brother die een behoorlijk stuk zweveriger is dan hij (na het eerst weer netjes aan mij te hebben aangeboden), vertelt hij dat het nog niet zo lang geleden ondenkbaar was dat hij en ik hier zo gezeten zouden hebben en elkaar de hand geschud zouden hebben. “There was a lot of anger. There was anger in me too. Gotta be honest. But you know, the anger has gone.” Waarheen dan, vraag ik hem. Hij zucht en kijkt een paar minuten naar buiten. Hij weet het niet. “Things have just changed, you know.” Heeft de komst van Obama iets veranderd voor hem? “No, that hasn’t changed anything for me. The change came before that.”
Ik vraag hem of hij de NBA volgt. Af en toe kijkt hij wel een wedstrijd zegt hij. En de Lakers kent hij ook wel. “Kobe Bryant sends emotions through me. Because he’s such a great player, but also because he’s not perfect and will sometimes miss a shot. But when you miss a shot, you know, you just come back and try again. That’s what I did in the old days. Never played for a team, but liked to take those shots.”
Dat de Lakers in de Finals staan, is hem trouwens ontgaan. En de aanwezigheid van de Magic daarin al helemaal. “What? Magic Johnson is playing in the Finals?” Nee, zeg ik, die is iets te oud en te traag nu. Van de Orlando Magic heeft hij nog nooit gehoord. Het zij hem volledig vergeven. Hij weet weer andere dingen die heel belangrijk zijn. Na een uur praten vraag ik hem of ik een foto van hem mag maken. “Of course”, zegt hij. “Why would I mind? I’m sitting here being myself, you are sitting here being yourself. This is pure, you know. I’m not pretending to be somebody I’m not, and neither are you. Of course you can take my picture.”
Ik neem afscheid, want ik moet weer terug naar mijn hotel. It’s game time tonight! Ik had nog veel langer met Terry willen praten, maar ik zeg tegen hem dat ik hoop dat ik hem nog een keer tegenkom. “Hope so too”, zegt hij. “No problem finding me here at Starbucks.” Ik geef hem een hand. “Allright man. I’ll come looking for you.”
Tegen negenen begeef ik me naar een bar vlakbij mijn hotel, waar ze naar goed Amerikaans gebruik een hoop televisieschermen hebben hangen. Op de helft daarvan is de vierde wedstrijd van de Stanley Cup-finale te zien tussen de ijshockeyende heren van Pittsburgh en Detroit. De meeste aandacht van de aanwezige bargangers gaat allereerst uit naar de drank en de eigen gesprekspartners, daarna naar de strijd tussen de Penguins en de Red Wings (Penguins winnen en brengen de serie op 2-2), en tot slot is er een enkeling die de blik gericht heeft op het openingsduel tussen de Lakers en de Magic. Ik ben één van die enkelingen. Het geluid staat uit, maar dat heb ik ook niet nodig om te zien dat Kobe Bryant de wedstrijd naar zijn hand zet, en dat Jameer Nelson het moeilijk heeft na vier maanden afwezigheid. Hetgeen volgens mij ook weer zijn weerslag heeft op Rafer Alston, die nu speeltijd moet inleveren. Ook is duidelijk dat Superman behoorlijk vleugellam is vandaag.
Als ik twee Indian Brown Ale en een goeie Classic Burger heb weggewerkt, is het rust. Ik bekijk de tweede helft op mijn hotelkamer, maar ben zo moe dat ik de laatste vijf minuten van deze blowout niet meer bewust meemaak.
Na twaalven komt mijn Amerikaanse vriend Roger Daniels binnen, die eigenlijk gisteren al zou komen om een paar dagen met me in New York door te brengen, maar eerst nog werk moest afmaken. De wedstrijd heeft hij nu ook gemist, maar hij is tevreden te horen dat de Lakers het eerste duel hebben gewonnen. Niet dat hij een Lakerfan is (integendeel, zijn hart pompt Celtic-groen bloed door zijn aderen), maar hij redeneert dat als de Lakers de eerste twee duels winnen, Orlando er vervolgens in eigen huis wel voor zal zorgen dat er minimaal een zesde wedstrijd komt en ik daardoor ook nog naar Los Angeles mag. Is dat niet aardig van deze aanhanger van de grootste rivaal van Purple and Gold? Enfin, we zullen zien. Met twee wedstrijden in Orlando zou ik de koning al te rijk zijn. Uiteraard hoop ik op drie in Florida en nog twee in Californië, met een buzzerbeater aan het eind van de vierde verlenging van wedstrijd zeven. Ik zeg niet van wie.
Na nog een uurtje of twee bijgepraat te hebben in de hotellobby (ik zag Roger voor het laatst toen ik vorig jaar in de States was voor de eerste twee wedstrijden tussen de Celtics en de Lakers) ga ik om half drie naast mijn bed staan en stort vervolgens heerlijk en volledig in.